Vanochtend zat ik in de trein tegenover een snelle manager.
Daar kwam ik achter toen zijn telefoon ging.
Alle ins en outs van een of andere meeting flitsten voorbij.
'Je hebt een leuk team van commercieel directeuren!', glibberde hij met zijn tanden bloot.
Ik haakte af, en ging verder met nadenken over de verheffende vraag waarom mijn haar er de laatste tijd toch uitzag als een depressieve vogelverschrikker.
Tot ik deze zin hoorde: 'Als ze hun plafond hebben bereikt, laat ik ze altijd naar de zee verlangen.'
De zee...
De azuurblauwe, als duizend diamanten fonkelende zee van Curaçao.
Ineens zie ik die weer, loop ik er weer, in de brandende zon, gestreeld door de passaat.
Even rijd ik weer in mijn gammele Amerikaanse bak over de Julianabrug, vurig hopend dat het voertuig de top zou halen in plaats van zomaar in te storten, op die toch wel erg hoge brug.
Het gevoel dat ik altijd kreeg, daar helemaal bovenop, was fenomenaal: de wereld lag aan mijn voeten.
De hemel was het plafond.
Waarom toch niet gelijk gaan voor de zee?
Reacties